(Jelle Jolles en Sanne Dekker, 22 september 2014). De samenleving heeft recentelijk veel interesse gekregen in onze hersenen en vooral in de relatie met leren, ontwikkeling en ontplooiing. Leerkrachten en schoolleiders zijn geïnspireerd door de nieuwe wetenschappelijke inzichten en zoeken naar mogelijkheden om hersen-kennis toe te passen in de klas. Mooi, deze aandacht voor toepassingen op het gebied van educatie. Het is een vorm van ‘neuropraxis’: kennis over de cognitieve ontwikkeling en over individuele verschillen tussen kinderen worden in relatie gebracht met de praktijk. En dat heeft natuurlijk implicatie voor onderwijs, voor opvoeding en voor de ontplooiing van onze kinderen. Helaas blijkt een verantwoorde overdracht van wetenschappelijke kennis en inzichten over hersenen, cognitie & gedrag niet eenvoudig te zijn.

Er zijn veel misvattingen in omloop over het functioneren van de hersenen. Dat leidt tot onjuiste visies over het functioneren van kinderen, en wat dat betekent voor onderwijs en opvoeding. Deze misvattingen worden beschreven met de term ‘neuromythen’. Het gaat om verkeerde generalisaties vanuit de wetenschap die soms slechts ten dele waar zijn. Regelmatig gaat het om aperte onzin: neurononsens. Wij hebben hierover kort geleden een artikel geschreven in Nederlandse vakblad Neuropraxis. De neuromythen die het meest in omloop zijn in het onderwijs worden erin beschreven. Daarnaast gaan we in op de mogelijke oorzaken van het ontstaan van nieuwe mythen, en beschrijven we wat opvoeders en onderwijsprofessionals kunnen doen om het gebruik van deze – vaak zeer schadelijke –mythen terug te dringen en te vervangen door meer valide kennis.

Dekker, S., Lee, N.C., & Jolles, J. (2014). Over het vóórkomen en voorkómen van neuromythen in het onderwijs. Neuropraxis, 18(2), 62-66. doi: 10.1007/s12474-014-0046-z. Het volledige artikel kunt u downloaden: pdf. Neuropraxis is een tijdschrift van Bohn, Staphleu en van Loghum/Springer media.