Artikelen van oktober 2013

Kennis over breinontwikkeling bij de tiener kan gebruikt worden in het onderwijs

Sanne Dekker

Inzichten uit de neuropsychologie hebben potentie voor toepassing in het onderwijs – mede omdat veel leerkrachten geïnteresseerd zijn geraakt in het brein en  openstaan voor wetenschappelijke kennis. Dat blijkt het uit het proefschrift van Sanne Dekker die op 1 november a.s. op dit onderwerp promoveert binnen het Centrum Brein & Leren (Instituut LEARN!) en de afdeling Onderwijsneurowetenschap aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Promotoren waren prof. Jelle Jolles en prof. Lydia Krabbendam. Voor haar onderzoek bestudeerde Dekker zowel leerlingen als docenten in het voortgezet onderwijs.

Neuromythen
Uit het onderzoek bleek dat er momenteel veel neuromythen in omloop zijn in het onderwijs. Het onderzoek werd uitgevoerd bij ruim 200 docenten uit Nederland en Engeland, die allen interesse hebben in de werking van de hersenen en de rol daarvan bij leren. Ondanks dat deze docenten zich al hadden verdiept in het onderwerp (bijv. op internet en in tijdschriften), hadden zij moeite om de waarheden van de mythen te onderscheiden. Dekker: “Je leest en hoort van alles over het brein, maar de kans is groot dat veel daarvan alleen in de verte op wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd. Soms is het zelfs regelrechte onzin. Het inzicht dat er veel neuromythen in omloop zijn helpt hopelijk om mensen ervan bewust te maken dat het belangrijk is om kritisch te blijven nadenken over wat je leest en hoort.”  Om de kennis bij docenten te vergroten heeft Dekker met haar promotor prof. Jelle Jolles een lesmodule “Brein & Leren” ontworpen, die past binnen het biologiecurriculum van onderbouw havo/vwo. De lesmodule gaat over de veranderlijkheid, of plasticiteit, van het brein. Docenten die deze lesmodule hadden geïmplementeerd, hadden significant meer kennis van hersenontwikkeling en –functies dan docenten die nog niet met het materiaal hadden gewerkt. “Door docenten meer te leren over hersenontwikkeling, kun je zorgen dat ze op een andere manier naar hun leerlingen gaan kijken aldus Dekker & Jolles.

Grote individuele verschillen
Dekker onderzocht bij leerlingen o.a. de motivatie om met school bezig te zijn. Was dit vanuit intrinsieke motivatie, zoals nieuwsgierigheid? Of hebben ze vooral een extern doel, zoals het halen van goede cijfers? Of willen ze helemaal geen moeite doen voor school? Ze onderzocht dit onder jongens en meisjes uit twee verschillende leeftijdsgroepen: 10-14 jaar en 14-19 jaar. Er kwamen grote verschillen naar voren. Meisjes omschreven zichzelf vaker dan jongens als “leergierig” maar waren ook vaker vermijdend omdat ze bang waren om fouten te maken. Jongens waren juist meer gericht op het laten zien hoe goed ze zijn. Maar ze zeiden ook vaker dat ze niet zo goed hun best doen voor school. Volgens Dekker is dit laatste een mogelijke verklaring voor de slechtere schoolprestaties van jongens vergeleken met meisjes. Ook bleek dat leerlingen in de oudere leeftijdsgroep (14-19 jaar), minder leergierig waren en vaker een werk-vermijdende strategie volgden. Bovendien haalden leerlingen die nieuwsgierig of prestatiegericht waren hogere cijfers dan leerlingen die werk-vermijdend waren of bang om fouten te maken. Dekker: “het is dus belangrijk dat leerkrachten en ouders dit al vroeg ondervangen. Dat kunnen ze doen door de nieuwsgierigheid te stimuleren met bijvoorbeeld uitdagende lesmethoden. Ook kunnen ze minder nadruk gaan leggen op cijfers en meer op de inhoud.”

 

Leer het brein kennen
Ook Dekker en Jolles hebben niet stilgezeten om de leerlingen te inspireren voor goede schoolprestaties. Zij ontwikkelden de interventie “Leer het brein kennen” speciaal voor jongens van 12 t/m 14 jaar. De interventie is gericht op jongens die snel afgeleid zijn, impulsief gedrag laten zien en moeite hebben met plannen. De hersengebieden die dit gedrag sturen, zijn namelijk bij de meeste jongeren pas laat in de adolescentie ontwikkeld. Om deze ontwikkeling te stimuleren kregen de jongens uitleg over het brein en over aandacht, planning, impulsiviteit en het geheugen. Ze kregen hulp bij het plannen en hun doelgericht gedrag werd gestimuleerd. Daarnaast wisselden de jongens in kleine groepen met elkaar uit over de dingen waar ze tegenaan liepen, en bespraken de mogelijke oplossingen daarvoor. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het principe van ‘evidence-based werken’ in de praktijk. Een controlegroep werd gebruikt van jongens in een huiswerk-interventie.. De jongens uit de neuropsychologische interventie rapporteerden een vooruitgang in kennis en vaardigheden, en hadden een beter inzicht in hun sterke en zwakke kanten. Dekker wijst erop dat interventies zoals deze waardevol kunnen zijn voor jongens én voor meisjes, al heeft zij zich nu beperkt tot jongens; “het is belangrijk om te kijken naar de leerling als individu. Iedere leerling heeft zijn eigen sterke en zwakke punten. Wetenschappelijk onderzoek gaat vaak over groepsverschillen, bijvoorbeeld verschillen tussen jongens en meisjes, en dat geeft richting, maar daarbij moet je wel oppassen voor het hokjesdenken. Blijf vooral met een open blik kijken naar wat het kind wel en niet kan.”

Op 1 november a.s. zal Sanne Dekker promoveren op haar proefschrift Brain Lessons: Neuropsychological insights and interventions for secondary education aan de Vrije Universiteit Amsterdam. U kunt hier het proefschrift gratis downloaden.

Contact: s.j.dekker@vu.nl

 

Grootschalig onderzoek onder brugklassers: ‘Ik voel me niet zo lekker’ heeft relatie met onderpresteren

In het artikel ‘Ik voel me niet zo lekker’ wordt een grootschalig onderzoek beschreven dat is uitgevoerd bij brugklassers. Leerlingen die ‘niet lekker in hun vel zitten’ blijken een veel grotere kans te hebben op onderpresteren. Veel jonge tieners worstelen met de biologische en psychologische veranderingen die horen bij de puberteit. Hun ‘executieve functies’ zijn nog in ontwikkeling en zij moeten nog veel ervaringen opdoen om zich een plek te verwerven in de veranderende samenleving. Wij pleiten voor een gerichte betrokkenheid van leerkrachten en opvoeders en voor het faciliteren van de neuropsychologische ontwikkeling van de jeugdige als persoon. Welbevinden, inspiratie, en een brede ontwikkeling zijn daarbij even belangrijk als kennis en formele schoolprestaties.

Tamara van Batenburg-Eddes en Jelle Jolles. ‘Ik voel me niet zo lekker’. Van 12 tot 18, oktober 2013, pp 8-10. Een pdf van het artikel vindt u hier

Brugklassers die zich minder goed voelen hebben een veel grotere kans op onderpresteren dan leerlingen die zich prima voelen. Neurocognitief functioneren speelt een aanzienlijke rol in deze relatie tussen emotioneel welbevinden en onderpresteren. Dat blijkt uit onderzoek van het Centrum Brein & Leren en is verschenen in het tijdschrift Frontiers in Educational Psychology en wordt tevens gepubliceerd in het oktober nummer van het Nederlandse tijdschrift ‘Van 12 tot 18’.

Emotioneel welbevinden speelt een belangrijke rol bij onderpresteren
De overgang naar de middelbare school kenmerkt zich door grote veranderingen in de leefwereld van jongeren, maar ook op cognitief en intellectueel vlak. Tevens gaat deze periode gepaard met biologische en psychologische veranderingen die horen bij de puberteit, en met grote veranderingen in de rijping van bepaalde hersensystemen en de ontwikkeling van complexe netwerken. Onder invloed van deze veranderingen zijn jong-adolescenten in het bijzonder kwetsbaar voor het krijgen van psychologische problemen en psychopathologie. Het onderhavige onderzoek richt zich op milde problemen op het gebied van welbevinden die relatief veel voorkomen.

Aan het onderzoek deden ruim 2200 brugklasleerlingen van vmbo, havo en vwo mee. Leerlingen en hun mentoren vulden online een vragenlijst in. Leerlingen beantwoordden onder andere vragen over hun welbevinden. Ook is hen gevraagd in hoeverre ze zelf vonden dat ‘ze het op school beter zouden kunnen doen dan dat ze tot nu toe lieten zien’; een vergelijkbare vraag is aan de mentor gesteld. In combinatie met schoolcijfers is zo bepaald of er bij een leerling sprake was van onderpresteren. Verder is onderzocht wat de rol was van aspecten van neurocognitief functioneren in de relatie tussen welbevinden en onderpresteren. Uit de resultaten bleek dat brugklassers die een verminderd welbevinden ervaren een wel vijf keer hoger risico hebben om onder te presteren in vergelijking met jongeren die zich goed voelen. Wanneer we deze relatie corrigeerden voor  de invloed van neurocognitief functioneren halveerde dit risico maar deze bleef aanzienlijk, en statistisch significant, namelijk twee keer verhoogd.

In het onderwijs ligt de nadruk op leerstof en de output daarvan en minder op de voorwaarden die noodzakelijk zijn om te kunnen leren. Uit de resultaten van dit onderzoek, echter, blijkt dat emotioneel welbevinden èn neurocognitief functioneren een aanzienlijke rol spelen bij het behalen van optimale prestaties op school. De resultaten onderstrepen daarmee het belang van voorwaarden om te kunnen leren, waarbij welbevinden, inspiratie, en een brede ontwikkeling even belangrijk zijn als kennis en formele schoolprestaties en pleiten voor een gerichte betrokkenheid van leerkrachten en opvoeders en het faciliteren van de neuropsychologische ontwikkeling van de jeugdige als persoon.

Tips voor trainer-coaches bij de talent ontwikkeling van jonge voetballers

Wanneer heeft iemand talent? Bij een kind met talent voor voetbal denken we al gauw aan balbehendigheid, zuiver schieten, afstanden kunnen overbruggen, een goed spelinzicht en complexe motorische handelingen. Natuurlijk zijn die dingen heel belangrijk, maar er komt zoveel meer bij kijken om echt een veelbelovend speler te worden. Het heeft te maken met de snelheid waarmee de hersenen informatie verwerken. Informatie uit verschillende zintuigen die moeten worden geïntegreerd met elkaar en met eerder opgeslagen informatie uit het geheugen. Afgelopen maand verscheen er in De Jeugdvoetbaltrainer een artikel dat dieper ingaat op determinanten voor voetbalsucces waar de coach van jeugdige voetballers oog voor zou moeten hebben. Ze zijn gebaseerd op fundamentele inzichten uit de neuropsychologie. Het is geschreven door Mirelle van Rijbroek en Annemarie van der Eem.
Ga direct naar artikel

De Jeugdvoetbaltrainer

Waar gaat dit artikel over?
Naast complex motorisch handelen, een goede conditie en een goed spelinzicht, moet een aanstaande topvoetballer   ook talent hebben op het gebied van ruimtelijk inzicht en snelle verwerking van informatie uit alle zintuigen.  Waarneming, de veldsituatie overzien, luisteren naar je medespelers, anticiperen op de tegenspelers en schakelen in afstanden. Je moet als voetballer snel verbanden kunnen leggen en je goed kunnen concentreren voor langere tijd.  Om al deze eigenschappen te trainen, is een brede strategie nodig. Soms lijkt een pupil al jong een duidelijke voorkeur te hebben voor een bepaalde leerstijl, toch is het juist dan van belang om ook andere leerstijlen toe te passen. Beschouw een jonge voetballer dan ook niet te snel als “een typische aanvaller” of “een echte verdediger”. Het kan een self fulfilling prophecy zijn die hem bovendien de kansen ontneemt om ook die andere ervaringen op te doen. En dat is jammer als er grote potentie ligt in vaardigheden die zo niet worden aangeboord. Als coach is het dus van belang om het kind op alle posities te laten spelen en naar het geheel aan vaardigheden te kijken: motorisch, cognitief en psychologisch. Houdt daarin bij welke verbeteringen er plaatsvinden en oefen gericht die vaardigheden die nog extra aandacht nodig hebben. De coach zal hierbij grote individuele verschillen ondervinden bij zijn pupillen, ook al zijn ze allemaal ongeveer even oud. Niet ieder kind ontwikkelt zich in hetzelfde tempo, dus schrijf een kind zeker niet te snel af als bepaalde onderdelen nog niet zo willen lukken. De snelheid van de ontwikkeling zegt tenslotte niets over de potentie of het eindresultaat!