Talenten gezocht!

Ben jij een (zeer) goede, minimaal derdejaars student met ambitie en brede interesse? En wil jij meedenken over het onderwerp ‘Onderpresteren en excelleren in het hoger onderwijs’? Geef je dan op voor een DenkTank die een advies voorbereidt rond ontplooiing en talentontwikkeling!

Onderpresteren en excelleren in het hoger onderwijs

Welke factoren bepalen dat sommige studenten zeer goed functioneren en makkelijk door hun studie komen en dat andere, met een vergelijkbare intelligentie, er veel meer moeite mee hebben? Wat bepaalt onderpresteren en excelleren? Met nog zeven getalenteerde studenten vorm je, onder leiding van een professionele moderator, een DenkTank. Deze neemt de vragen door en beziet ze in het licht van recent wetenschappelijk onderzoek.

Achtergrond. De DenkTank is opgezet vanuit de programmagroep ‘Brein, leren & educatie’ onder leiding van professor Jelle Jolles, VU universiteitshoogleraar. Doel is om concrete aanbevelingen te kunnen doen om de talentontwikkeling en ontplooiing van ‘de lerende student’ optimaal te laten verlopen.

Aanmelden/solliciteren. Wil jij, samen met andere getalenteerde universitaire studenten (ihb van VU en UvA), een rol spelen in het proces van (student-) ontplooiing en onderwijsvernieuwing? Stuur dan je motivatie en CV met studievorderingen en cijfers voor 1 mei as. naar j.jolles@vu.nl. Voor nadere informatie zie http://ow.ly/vPfeq en www.jellejolles.nl

Investering: Twee dagdelen (op woensdag 28 mei en 4 juni) en enkele uren voorbereiding.

Jouw belang ligt in de waardevolle ervaring die je ermee opdoet en in multidisciplinaire uitwisseling met het zicht op toepassing in het hoger onderwijs.

Waar: Trippenhuis van de Koninklijke Academie van Wetenschappen (KNAW), Kloveniersburgwal, Amsterdam Centrum.

Klik hier voor uitgebreidere informatie [pdf]

Gepost in: Nieuws op 16 april 2014 om 9:35

Publiekscollege Rode Hoed Amsterdam, 19 maart 2014, Jelle Jolles

Samenvattend

Deze blog geeft in 35 stellingen een visie op ‘Brein, ontplooiing, onderwijs & opvoeding’. Hiermee vat ik het publiekscollege samen dat ik op 19 maart heb gegeven in de Rode Hoed in Amsterdam. In dat college ging het om de ontwikkeling van kinderen en jeugdigen. De ontwikkeling wordt niet simpelweg bepaald door ofwel nature ofwel nurture. Integendeel: zowel biologische factoren als psychologische, sociale en culturele factoren zijn ervoor belangrijk. ‘Context shapes the brain’, dus prikkels uit de omgeving zijn uiteindelijk bepalend voor de hersenrijping. Dit geldt ook voor de manier waarop kind, jeugdige en volwassene in een sociale context gaan functioneren. Ouder, leerkracht, oma, de buurtgenoten en de peergroup geven Steun, Sturing & Inspiratie en zijn daarmee sterk bepalend voor de ontplooiing van kind en jeugdige.

 

Gepost in: Blog op 28 maart 2014 om 16:55

Gepost in: Nieuws op 20 februari 2014 om 11:30

Wat zou het gemakkelijk zijn als sporttalent in de genen zou zijn vastgelegd. Dan hoeven we het jonge talentje alleen wat te stimuleren en tot groei te brengen. Maar talentontwikkeling wordt niet alleen bepaald door de biologie. Ook psychologische factoren zoals beleving, motivatie en attitude zijn belangrijk. En dat geldt ook voor sociale en culturele factoren en communicerend vermogen.
Vandaag verscheen op de website van Sport Know How XL een column van Jelle Jolles over de neuropsychologische ontwikkeling van de jonge teamsporter. Hierin wordt uitgelegd wat de rol van het zich ontwikkelende brein is bij de ontplooiing van de jonge sporter. Er staan handvatten in voor ouder en coach om de persoonlijke groei van het kind op het sportveld te stimuleren.

Gepost in: Nieuws, Webcomments op 28 januari 2014 om 17:42

(17 jan 2014, Lydia Flores en Jelle Jolles). Als het gaat om creativiteit, om denken of ideeënproductie wordt er nog al eens onderscheid gemaakt tussen “linkerhersenhelft en rechterhersenhelft denkers.” De rechter hemisfeer zou met zijn artistieke ‘karakter’ meer aanleg hebben voor creatief denken dan de rationele linker hersenhelft. Deze gedachte is echter een zogenaamde neuromythe. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat zo’n strikte taakverdeling niet bestaat.  Ook wordt steeds meer duidelijk dat creatief denken een product is van de juiste verhouding tussen verbeelding en (flexibele) aandacht.

John Cleese
John Cleese, die eindeloos creatieve Britse acteur en comedian, omschreef het proces van creatief denken en het produceren van nieuwe ideeën op een, inderdaad, heel creatieve manier: de schildpad. Je creativiteit gedraagt zich als een schildpad; heel voorzichtig steekt het zijn kopje onder het schild vandaan om de omgeving te beoordelen. Eerst moet blijken of de omgeving veilig genoeg is om helemaal naar buiten te komen. Er is dus een veilige thuishaven nodig, te midden van de moderne, snelle wereld vol input, ruis en inspiratie, voordat creativiteit een kans krijgt. En dus heeft je brein tijd nodig om dat ene briljante idee tot uiting te laten komen. Cleese zegt ook dat het vaak helpt om er ‘een nachtje over te slapen.’ Leg het probleem aan de kant en je brein doet het werk!

Nieuwe hersenmetaforen
Ook wetenschappers die zich met creativiteit bezig houden, hebben ideeën over hoe dit werkt in het brein. Links en rechts? Nee, geen sprake van. Er zijn heel andere, en veel subtielere mechanismen bekend. De nieuwere hersenmetaforen hebben te maken met ‘het verbeelden’ (letterlijk ver-beelden, een mentaal beeld maken) en met het richten en focusseren van de aandacht. Ze kunnen helpen om de voorwaarden te scheppen die nodig zijn om nieuwe ideeën te produceren. Business Insider publiceerde er een mooi artikel over geschreven door Belle Beth Cooper:

http://www.businessinsider.com/this-is-how-your-brain-actually-works-when-you-are-creative-2013-11

Gepost in: Blog, Webcomments op 17 januari 2014 om 16:05

(6-12-2013/Jelle Jolles). Dat man en vrouw biologisch van elkaar verschillen is algemeen bekend en geaccepteerd. Waarom heeft de samenleving er dan zoveel moeite mee als wetenschappers ook ‘het orgaan hersenen’ bestuderen in relatie tot sekseverschillen? In de afgelopen tientallen jaren is veel bewijs gevonden dat man en vrouw anders presteren op bepaalde cognitieve taken en ook niet hetzelfde zijn in hersenfuncties. Mijn eigen onderzoeksgroep stelde al jaren geleden vast dat vrouwen tot op hoge leeftijd beter zijn in bepaalde leer- en geheugentaken. En meer recent vonden we dat ook tienermeisjes en jong volwassenen beter zijn dan jongens in een heel aantal soorten cognitieve taken. De meeste jongens zijn daarentegen wat beter dan de meeste meisjes in taken waarin ruimtelijk-visuele informatie moet worden verwerkt. Waar komen die verschillen vandaan? Zijn de verschillen biologisch bepaald of hangen ze samen met het feit dat jongens en meisjes in onze samenleving anders worden benaderd: is het Nature of Nurture?
In de afgelopen tien jaar bleek uit onderzoek met hersenscanning (MRI) dat de ontwikkeling van bepaalde hersenstructuren bij jongens iets anders verloopt dan bij meisjes. De meeste jongens lijken enkele jaren later ‘uitgerijpt’ te zijn dan de meeste meisjes. Het gaat hierbij om grensverleggend onderzoek van onder anderen Gogtay, Giedd en Lenroot. Nu is nieuw grootschalig onderzoek gepubliceerd dat weer verdere aanwijzingen oplevert over structurele hersenverschillen bij man en vrouw. De publicatie van Ingalhalikar en collega’s in de Proceedings of the National Academy of Sciences (kort gezegd PNAS) heeft afgelopen week erg veel media aandacht gekregen. Deels is er lovend commentaar want het gaat om een enorm grote MRI-studie van bijna 1000 tieners en jong volwassenen. Ook is de redactie van dit top- tijdschrift ongetwijfeld niet over één nacht ijs gegaan met het publiceren. Men is ook lovend omdat er nu nieuwe onderbouwing is voor een – sterker wordende – theorie over de structurele basis van geslachtsverschillen in gedrag en cognitie. Maar aan de andere kant was er ook  direct kritiek. Deze richtte zich op methodologische kwesties en op de relatief geringe omvang van gevonden verschillen. En ook werd natuurlijk gevraagd naar de causaliteit: zijn er wellicht structurele verschillen als gevolg van omgevingsinvloeden? Voor- en tegenstanders maken goed gebruik van de reguliere media en de nieuwe media zoals twitter om de andere partij om de oren te slaan. Ik vind dat een goede zaak: er moet uitgewisseld worden over zo’n belangrijk onderwerp als sekseverschillen, zeker in verband met de verschillen tussen jongens en meisjes in het schools presteren. Zelf houd ik het er voorlopig op dat context (omgeving) bepalend is voor de ontwikkeling en rijping van hersennetwerken en dat dit binnen biologisch bepaalde mogelijkheden of randvoorwaarden geschiedt. In die zin vind ik de bevindingen spannend en waardevol. Ze zijn dat temeer omdat de resultaten aangeven dat er ‘ontwikkeling’ is gedurende de adolescentie. Voor mij is dat een sterke aanwijzing dat omgeving er toe doet. De omgeving kan voorwaarden scheppen om de ontwikkeling van kind en tiener te ‘leiden’, om steun en inspiratie te geven. Die structurele veranderingen in het brein, die komen er door de ervaringen die kind en adolescent opdoen. Daar doen wij zelf onderzoek naar en daar zult u nog wel wat over horen…

Vanwege het grote belang van de PNAS studie geef ik hieronder een vertaling van de paragraaf ‘Significance’ aangevuld met informatie uit de samenvatting van het artikel.

M. Inghalkar, A. Smith en anderen. Sex differences in the structural connectome of the human brain. Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS), www.pnas.org/cgi/doi/10.1073/pnas.1316909110 

Waarom is dit onderzoek belangrijk
Sekseverschillen zijn zowel in wetenschappelijk als in maatschappelijk opzicht van zeer groot belang omdat ze zo duidelijk zichtbaar zijn in het gedrag van de menselijke en niet-menselijke soort. Met name dit onderzoek is essentieel omdat het een heel grote groep jongeren heeft bestudeerd; 949 in totaal waarvan 428 mannelijke en 521 vrouwelijke proefpersonen. Het ging om jongeren met een leeftijd van 8-22 jaar. Er is bij dit onderzoek gekeken naar de spreiding, of diffusie, van structurele hersenverbindingen. Het onderzoek heeft nieuwe sekseverschillen aan het licht gebracht. De resultaten laten zien dat het mannelijke brein een sterke communicatie opbouwt binnen de beide hersenhelften. De verbindingen binnen een hersenhelft zijn dus sterker. Het vrouwelijke brein laat daarentegen juist een sterkere communicatie zien tussen de hersenhelften; de verbindingen tussen beide hersenhelften zijn sterker.
De ontwikkeling van verbindingen in de hersenen bij jongens en meisjes loopt de eerste jaren gelijk op, maar gaat op een bepaalde leeftijd in de adolescentie een andere richting uit. Tijdens de adolescentie en de volwassenheid zijn grote verschillen te zien. De beelden laten zien dat de structuur van het mannelijke brein meer gericht is op verbindingen tussen perceptie en (gecoördineerde) actie, terwijl de structuur van het brein van de vrouw juist de communicatie tussen analytische en intuïtieve  functies versterkt. De gevonden sekseverschillen worden verder beschreven in termen van ‘adaptive complementarity’ waarbij de man in zijn algemeenheid beter is in motorische en ruimtelijke vaardigheden en de vrouw in geheugen en in sociale cognitie.  

Gepost in: Blog op 6 december 2013 om 18:20

De coach en de ouders van een kind kunnen ieder op hun manier een sleutelrol spelen bij de ontwikkeling van het voetbaltalent van een kind. Het heeft te maken met voorwaarden creëren maar ook routes aangeven, steunen, sturen en inspireren. De coach vervult hierbij een andere rol dan bijvoorbeeld de ouders, broers- en zussen of de buurman. Maar ze kunnen zeker, ieder op hun eigen manier, een bijdrage leveren aan hoe het brein, en daarmee het talent van de pupil, zich ontwikkelt. Afgelopen maand verscheen er in De Jeugdvoetbaltrainer een artikel dat in samenwerking met Jelle Jolles tot stand is gekomen. Het artikel gaat over de rol van de omgeving en in het bijzonder die van de coach bij de talentontwikkeling op het voetbalveld. Het is geschreven door Mirelle van Rijbroek en Annemarie van der Eem. Klik hier als u direct naar
dit artikel wilt gaan.

Waar gaat dit artikel over?
Uit neuropsychologisch onderzoek is gebleken dat omgevingsfactoren, zoals gezin, opvoeding, hobby’s,  sociale groep en de buurt, veel belangrijker zijn dan gedacht. Natuurlijk is de motorische ontwikkeling die in de kinderjaren tot bloei komt essentieel bij sport. Met een goed lichaamsschema, evenwichtsgevoel, spieropbouw en uithoudingsvermogen kun je al heel veel. Maar als een speler zich naar de top wil kunnen ontwikkelen, is er meer nodig dan die goede motoriek. Daar heeft hij een stimulerende omgeving voor nodig. Zo moet een trainer een steunende rol aannemen, de rots in de branding zijn waar de pupil altijd bij terecht kan. Maar ook helpt het de pupil verder als de coach gerichte sturing geeft. Leer de jonge spelers om doelen te stellen en zichzelf de vraag te stellen: “wat wil ik, waar wil ik naartoe?” Rijk ze een aanpak en een route aan. Je hoeft niet het complete pad voor ze te banen, maar neem de verschillende mogelijkheden met ze door. Wat zijn de opties? Wat is het gevolg als je optie A kiest? En hoe verschilt deze van optie B? Een sturende rol kan ook inhouden dat je bijvoorbeeld als coach een speler die liever op het middelveld speelt, bij een wedstrijd linksvoor zet. Het is dan wel belangrijk om aan je pupil duidelijk te maken waarom je die overweging hebt gemaakt. Soms heeft een speler namelijk het idee dat hij iets niet kan, terwijl je als coach wel degelijk potentie ziet. Tot slot is de inspirerende rol enorm belangrijk. Je kunt ze inspireren wat betreft bewegingen die ze kunnen maken, het herkennen van schijnbewegingen bij de tegenstander maar ook door ze bijvoorbeeld een video te laten zien van FC Barcelona of andere topteams. Vergelijk de speelstijlen van deze teams met elkaar, laat de kinderen analyseren wat er in zo’n wedstrijd gebeurt, beschrijf deelhandelingen die je in slow motion laat afspelen. Maar ook kun je je spelers vervolgens laten ervaren hoe het is om verschillende rollen te spelen op het veld en daarmee oefenen. Houd altijd in het achterhoofd dat het gaat om gedragsverandering bij het kind, niet om het overbrengen van een les. Naast de coach kan de hele omgeving een steunende en inspirerende rol spelen; de buurman die voordoet hoe je een schijnbeweging maakt, een broer die steeds uit andere posities een bal toespeelt. En moeder die in de regen aan de kant staat aan te moedigen bij een wedstrijd. Ze dragen allemaal bij aan de talentontwikkeling van de jonge voetballer.

Gepost in: Blog op 7 november 2013 om 11:06

Sanne Dekker
Sanne Dekker

Inzichten uit de neuropsychologie hebben potentie voor toepassing in het onderwijs – mede omdat veel leerkrachten geïnteresseerd zijn geraakt in het brein en  openstaan voor wetenschappelijke kennis. Dat blijkt het uit het proefschrift van Sanne Dekker die op 1 november a.s. op dit onderwerp promoveert binnen het Centrum Brein & Leren (Instituut LEARN!) en de afdeling Onderwijsneurowetenschap aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Promotoren waren prof. Jelle Jolles en prof. Lydia Krabbendam. Voor haar onderzoek bestudeerde Dekker zowel leerlingen als docenten in het voortgezet onderwijs.

 

Neuromythen
Uit het onderzoek bleek dat er momenteel veel neuromythen in omloop zijn in het onderwijs. Het onderzoek werd uitgevoerd bij ruim 200 docenten uit Nederland en Engeland, die allen interesse hebben in de werking van de hersenen en de rol daarvan bij leren. Ondanks dat deze docenten zich al hadden verdiept in het onderwerp (bijv. op internet en in tijdschriften), hadden zij moeite om de waarheden van de mythen te onderscheiden. Dekker: “Je leest en hoort van alles over het brein, maar de kans is groot dat veel daarvan alleen in de verte op wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd. Soms is het zelfs regelrechte onzin. Het inzicht dat er veel neuromythen in omloop zijn helpt hopelijk om mensen ervan bewust te maken dat het belangrijk is om kritisch te blijven nadenken over wat je leest en hoort.”  Om de kennis bij docenten te vergroten heeft Dekker met haar promotor prof. Jelle Jolles een lesmodule “Brein & Leren” ontworpen, die past binnen het biologiecurriculum van onderbouw havo/vwo. De lesmodule gaat over de veranderlijkheid, of plasticiteit, van het brein. Docenten die deze lesmodule hadden geïmplementeerd, hadden significant meer kennis van hersenontwikkeling en –functies dan docenten die nog niet met het materiaal hadden gewerkt. “Door docenten meer te leren over hersenontwikkeling, kun je zorgen dat ze op een andere manier naar hun leerlingen gaan kijken aldus Dekker & Jolles.

 

Grote individuele verschillen
Dekker onderzocht bij leerlingen o.a. de motivatie om met school bezig te zijn. Was dit vanuit intrinsieke motivatie, zoals nieuwsgierigheid? Of hebben ze vooral een extern doel, zoals het halen van goede cijfers? Of willen ze helemaal geen moeite doen voor school? Ze onderzocht dit onder jongens en meisjes uit twee verschillende leeftijdsgroepen: 10-14 jaar en 14-19 jaar. Er kwamen grote verschillen naar voren. Meisjes omschreven zichzelf vaker dan jongens als “leergierig” maar waren ook vaker vermijdend omdat ze bang waren om fouten te maken. Jongens waren juist meer gericht op het laten zien hoe goed ze zijn. Maar ze zeiden ook vaker dat ze niet zo goed hun best doen voor school. Volgens Dekker is dit laatste een mogelijke verklaring voor de slechtere schoolprestaties van jongens vergeleken met meisjes. Ook bleek dat leerlingen in de oudere leeftijdsgroep (14-19 jaar), minder leergierig waren en vaker een werk-vermijdende strategie volgden. Bovendien haalden leerlingen die nieuwsgierig of prestatiegericht waren hogere cijfers dan leerlingen die werk-vermijdend waren of bang om fouten te maken. Dekker: “het is dus belangrijk dat leerkrachten en ouders dit al vroeg ondervangen. Dat kunnen ze doen door de nieuwsgierigheid te stimuleren met bijvoorbeeld uitdagende lesmethoden. Ook kunnen ze minder nadruk gaan leggen op cijfers en meer op de inhoud.”

 

Leer het brein kennen
Ook Dekker en Jolles hebben niet stilgezeten om de leerlingen te inspireren voor goede schoolprestaties. Zij ontwikkelden de interventie “Leer het brein kennen” speciaal voor jongens van 12 t/m 14 jaar. De interventie is gericht op jongens die snel afgeleid zijn, impulsief gedrag laten zien en moeite hebben met plannen. De hersengebieden die dit gedrag sturen, zijn namelijk bij de meeste jongeren pas laat in de adolescentie ontwikkeld. Om deze ontwikkeling te stimuleren kregen de jongens uitleg over het brein en over aandacht, planning, impulsiviteit en het geheugen. Ze kregen hulp bij het plannen en hun doelgericht gedrag werd gestimuleerd. Daarnaast wisselden de jongens in kleine groepen met elkaar uit over de dingen waar ze tegenaan liepen, en bespraken de mogelijke oplossingen daarvoor. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het principe van ‘evidence-based werken’ in de praktijk. Een controlegroep werd gebruikt van jongens in een huiswerk-interventie.. De jongens uit de neuropsychologische interventie rapporteerden een vooruitgang in kennis en vaardigheden, en hadden een beter inzicht in hun sterke en zwakke kanten. Dekker wijst erop dat interventies zoals deze waardevol kunnen zijn voor jongens én voor meisjes, al heeft zij zich nu beperkt tot jongens; “het is belangrijk om te kijken naar de leerling als individu. Iedere leerling heeft zijn eigen sterke en zwakke punten. Wetenschappelijk onderzoek gaat vaak over groepsverschillen, bijvoorbeeld verschillen tussen jongens en meisjes, en dat geeft richting, maar daarbij moet je wel oppassen voor het hokjesdenken. Blijf vooral met een open blik kijken naar wat het kind wel en niet kan.”

Op 1 november a.s. zal Sanne Dekker promoveren op haar proefschrift Brain Lessons: Neuropsychological insights and interventions for secondary education aan de Vrije Universiteit Amsterdam. U kunt hier het proefschrift gratis downloaden.

Contact: s.j.dekker@vu.nl

 

Gepost in: Nieuws op 31 oktober 2013 om 16:07

Top